Zoon Jan (26-11-1906 – 25-02-1945) melkman, verzetsman

Een foto van Jan, gemaakt achter zijn woning aan de Kruittorenweg, op de Gedempte Binnengracht.

Op maandag 26 november 1906 werd een zoon geboren: Jan. Hij overleed zondag 25 februari 1945 in het concentratiekamp Dachau aan de gevolgen van dysenterie en vlektyfus. Hij was sinds 22 september 1932 getrouwd met Marie Spruit en had twee kinderen, Jan en Wil[1].

Jan was in het verzet in Woerden terechtgekomen via architect Niek van Donkelaar, compagnon bij het Woerdense architectenbureau J.H. Bodegraven. Van Donkelaar was lid van verzetsgroep De Oranje Vrijbuiters uit Utrecht. De Oranje Vrijbuiters verborgen Joden en hadden voor dat doel drie ‘doorgangshuizen’: in Woerden, Utrecht en Epe.

 

Rijn 37 (nu Rijnstraat 75-75A)

Hoe Van Donkelaar en Van Elk met elkaar in contact zijn gekomen, is niet bekend. Waarschijnlijk gebeurde dat via verzetsman Huib Koning, die naast Van Donkelaar woonde. Jan kende Huib Koning goed, omdat Koning ook bij de Gereformeerde Kerk in Woerden hoorde, net als hij. Er was voor de activiteiten van de groep een veilig adres nodig. Jan kocht van de Woerdense veehandelaar Floris Beijen het woonhuis Rijn 37 (nu Rijnstraat 75) voor 5.400 gulden. Hij had vooraf 6.500 gulden betaald en dat betekende dat hij 1.100 gulden terugkreeg via kandidaat-notaris Van Nes[2]. Waar het geld vandaan kwam, is niet duidelijk. Jans dochter Wil vertelde dat haar moeder altijd heeft gezegd dat het geld uit verzetskringen kwam. Dat klinkt logisch, omdat Jans zuster Adrie Loenen-Van Elk heeft vertelt dat Jan niet kapitaalkrachtig genoeg was om een dergelijk bedrag op te brengen. Jan was melkhandelaar en ging langs de deuren. Hij had geen winkel.

De verlovingsfoto van Jan en Marie Spruit (foto: collectie Wil Vernet – Van Elk).

Van Donkelaar en Jan gebruikten het rechterdeel van pand, waarin nu een supermarkt is ondergebracht, als onderduikadres voor de opvang van zestien tot achttien Joodse onderduikers en drie tot vijf leden van verzetsgroep De Oranje Vrijbuiters. Volgens dochter Wil waren er ook onderduikers in het woonhuis, Kruittorenweg 24 in Woerden. Zij kan zich nog de namen herinneren van vier onderduikers: Marianne (Wil vernoemde haar pop naar haar), Frits en “Dikke” Fie. De vierde was de 5-jarige Lotte. Marianne heette in werkelijkheid Marion Bienes. Zij gaf zich na de inval in het woonhuis aan de Rijn aan bij de Duitsers. Bij de inval was haar vriend Hans opgepakt en Marion voelde zich schuldig, omdat Hans niet wilde onderduiken, maar zich door Marion had laten ompraten. Marion is volgens Wil door Canadezen bevrijdt toen ze in Westerbork verbleef. Marion, in 1925 geboren in Frankfurt, trouwde na de bevrijding met een Duits klasgenootje van haar. Hij diende in het Amerikaanse leger en emigreerde vlak  voor het uitbreken van de oorlog naar de VS.

Wil kan zich nog herinneren dat er Duitsers, gelegerd in de kazerne aan de overkant van de straat, aan de deur kwamen om melk, boter of eieren te kopen. Die moeten de jonge onderduikertjes hebben gezien.

 

Oranje Vrijbuiters

Jan van Elk en de overige leden van de verzetsgroep De Oranje Vrijbuiters, waarvan hij lid was, werden op 25 augustus 1943 door de Sicherheitsdienst gepakt op een adres in Utrecht. ’s Morgens vroeg waren de Duitsers het pand in Woerden binnengevallen. De avond ervoor al in het Utrechtse pand. Daarbij maakte de SD de administratie van de groep buit. Zo wisten de Duitsers waar ze in Woerden moesten zijn.

De SD kon de verzetsgroep oprollen, omdat eerder die week twee leden van de groep door verraad in Den Haag tegen de lamp liepen toen ze een financier zochten voor de illegale activiteiten. Een van de leden van de groep ging na zijn arrestatie voor de SD werken. Deze V-Mann, Joop de Heus, is hiervoor na de oorlog opgepakt en veroordeeld tot zeventien jaar gevangenisstraf[3].

Nadat de Woerdense tak van de Oranje Vrijbuiters was opgerold, is Jan verhoord. Hij werd in Den Haag in de gevangenis opgesloten zoals zoveel verzetsstrijders. Hoe het hem daar is vergaan is moeilijk te reconstrueren. Jan duikt echter op in de nooit officieel gepubliceerde memoires van diplomaat en mede-Oranje Vrijbuiter Wim van Dijl [4]. Hij omschreef Jan als “Een zeer gelovig man, behorend tot de gereformeerde kerken. Hij bad dagelijks, sprak veel over zijn gezin, communiceerde door het gat in de muur met een gereformeerde broeder naast ons en vond veel kracht in zijn geloof.”. De twee konden het goed met elkaar vinden en spreken met elkaar over de illegale activiteiten waaraan ze hadden deelgenomen. Ze bleken veel daardoor gemeenschappelijke kennissen te hebben. Ze zaten enkele weken bij elkaar opgesloten en werden toen uit elkaar gehaald.

 

Vught,Dachau en Natzweiler

Jan is via het Oranjehotel in Scheveningen en concentratiekamp Vught in 1943 in Dachau aangekomen. De gevangenen werden met veewagens er naar toe gebracht. Na aankomst in het concentratiekamp moesten de gevangenen in Dachau-Allach werken in een BMW-fabriek voor vliegtuigmotoren. Het kamp waar de gevangen verbleven, was ‘onderkamp’ van het concentratiekamp Dachau. Daar kwam Jan Van Dijl weer tegen. “Hij (Jan – BvE) was een sterke man, veel meer mans dan ik. Enige malen had hij karweitjes van mij overgenomen, omdat ze mij te zwaar vielen.” Jan was ingedeeld bij een commando dat zwaar werk verzette en dat eiste zijn tol. “Telkens als ik hem weer zag, had hij gewicht en kracht verloren en tegen het einde van de oorlog was er weinig van hem meer overgebleven.”[5].

Onderduikster Marion Bienes met haar oud-klasgenoot en echtgenoot. (Foto: collectie Wil Vernet – Van Elk).

Jan werd na enige tijd overgeplaatst naar het zogenoemde Nacht-und-Nebellager Natzweiler-Struthof bij Markirch (Nu Saint-Marie-aux-Mines) in de Elzas. Hij moest werken in een zeven kilometer lange tunnel, waarin een toeleveringsbedrijf van BMW was ondergebracht. De Nacht-und-Nebel-gevangenen waren in de ogen van de Duitsers zeer gevaarlijk en dienden te verdwijnen. Ze moesten opgaan in nacht en mist. Hun nabestaanden kregen niet te horen waar hun familielid was overleden en begraven. Jan verbleef er van 29 juli 1944 tot 4 oktober 1944. Natzweiler-Struthof moest echter door de onverwacht snelle opmars van de geallieerde troepen door Frankrijk worden ontruimd en dat betekende dat alle gevangenen per trein teruggingen naar Duitsland[6]. Volgens medegevangene en vriend: J.L. Groenemans uit Den Haag bracht het transport hen eerst terug naar Dachau en van daaruit weer naar satellietkamp Allach.

 

Het einde

Wanneer Jan ziek is geworden, valt niet meer te achterhalen. Hij kwam in Dachau Van Dijl weer tegen. “Ook Jan van Elk kwam die dag bij mij langs, ingevallen, verzwakt, wanhopend. Ik kon hem toen toevallig aan een flink stuk brood helpen, maar het heeft ten laatste niet gebaat. Hij knapte vroeg in 1945 af. Na die avond heb ik hem niet meer teruggezien. Hij zonk weg in het moeras van de ellende die toen eigenlijk pas goed begon.”[7].

In februari 1945 werd Jan weer ingeboekt in Dachau en naar de Todeskammer van barak 22 gebracht. Hij overleed op 25 februari 1945 als gevolg van een hersenbloeding. De lichamen van de overledenen werden niet verbrand, maar naar een massagraf op de Leieterberg, zo’n twee kilometer van het kamp, gebracht. In dat graf liggen duizenden gevangenen. Het is tegenwoordig een kerkhof dat bij het KZ-Gedänkstatte Dachau hoort. Jan’s overlijden was pas op 27 februari door de kampadministratie verwerkt. Die datum wordt door de Oorlogsgravenstichting gehanteerd en staat ook vermeld op de plaquette die op donderdag 3 mei 2018 is aangebracht boven het poortje naast het pand van Jan (Rijnstraat 75A).

Er is buiten de memoires van Van Dijl om, niet veel bekend over wat Jan heeft meegemaakt tijdens zijn gevangenschap. Zijn oudste zus Riek kreeg na de oorlog een brief van medegevangene Groenemans[8]. Hij laat daarin weinig meer los over hun behandeling in de kampen dan dat die “beestachtig” was en schreef dat hij dat in een gesprek wel nader wilde toelichten als daaraan behoefte was. Jan heeft vanuit de concentratiekampen ook diverse briefjes naar zijn gezin gestuurd. Enkele restanten van die brieven zijn bewaard gebleven[9].

Voor hetgeen Jan in de oorlog heeft meegemaakt, is zijn naam later op de Erelijst der namen van hen, die voor het vaderland zijn gevallen, geplaatst[10].

Het pand aan de Rijn is door Jans weduwe op 13 mei 1952 voor 3000 gulden verkocht aan twee Woerdense winkeliers: de gebroeders De Kruif[11].

 

Jan was een zakenman

Jans oudste zus, Riek van Elk heeft eens vertelt dat het haar achteraf niet heeft verbaasd dat de verzetsgroep is opgerold. Jan was volgens haar iemand met een open karakter. Hij kon maar moeilijk geheimen bewaren.

Een bijzondere foto. Moeder Marie van Elk – Spruit wandelt tijdens de oorlog in de Voorstraat in Woerden met zoon Jan, dochter Wil en onderduikstertje Lotte. (Foto: collectie Wil Vernet – Van Elk).

Haar zuster Adrie is het daar gedeeltelijk mee eens. Volgens haar was Jan misschien wel een open boek, maar hij was ook een zakenman. Ze heeft daarvan een voorbeeld bij de hand. “In Woerden had je de Poelstraat. Dat was voor die tijd een hele, hele asociale straat. Jan was erg getapt als melkboer en kwam ook daar. Hij had net als mijn vader de binnenstad als wijk. Toen kwam er een, die wilde een liter melk hebben en kwam met een pispot, maar die was schoon. Die zei: “Hij is nieuw. Doe het er maar in”. Dus Jan doet daar zijn melk in. Maar ze had geen geld. Maar hij kon natuurlijk niet de melk uit de po teruggieten. Dus hij goot het in de goot. En hij zegt: “Ik geen geld, jij geen melk”. Jan was niet het type om te zeggen: “Hou dan maar. Maar dat was Jan. Jan, die was een beetje een vrijbuiter. Er was op de Meulmansweg een bibliotheek… Ik geloof dat zij Blok heette. Dat was een sigarenzaak annex bibliotheek. Wij lazen alleen maar de boeken van de jongelingsvereeniging en de meisjesvereeniging. Dat waren allemaal christelijke boeken natuurlijk. Jan niet. Daar hield hij niet van. Hij las al die ‘slechte’ boeken. Hij las ook van Emile Zola. En toen ben ik – dat was mij altijd bijgebleven – hier (in Zegveld – BvE) naar de bibliotheek gegaan, want ik wilde wel eens weten hoe slecht die boeken waren. Nou, er was weinig slechts aan. Ik bedoel, als je Jan Wolkers leest… Snap je wat ik bedoel? Nou, als dat nou alles was. Dat bedoel ik met de tijd was zo anders.” [12].

Bij de onthulling van de plaquette ter nagedachtenis aan Jan van Elk is een boekje verschenen met de titel: ‘Jan van Elk, melkman, verzetsman’. Dat boekje is als pdf-bestand of als epub-bestand voor iPads te gratis downloaden op www.janvanelk.nl. 

Jan van Elk

Noten:

[1] Brief van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, d.d. 24-2-’94 aan de auteur. Voor de rechtszaak zie het Utrechts Nieuwsblad van 16 maart 1950.

[2] Wim van Dijl: ‘Op zoek naar de zin’, pag. 54 en 55.

[3] Idem, pag 79.

[4] Tagesbuch KZ Lager Dachau

[5] Idem, pag 85.

[6] Een beschadigde kaart waarop het huwelijk wordt aangekondigd, is in bezit van de auteur.

[7] Een kopie van de akte is in bezit van de auteur.

[8] De brief van J.L. Groenemans, Celebesstraat 20, Den Haag was in het bezit van mevrouw H. van Elk. Een kopie is in het bezit van de auteur.

[9] Fragmenten van de briefjes zijn in eigendom van Wil Vernet – Van Elk uit Woerden. Een kopie is in bezit van de auteur.

[10] Een kopie van de opgave is in bezit van de auteur.

[11] Een kopie van de verkoopakte is in bezit van de auteur.

[12] Interview met A. Loenen – Van Elk, opgenomen op 10 juli 2008 in Zegveld door de auteur.