Intacta invidia media sunt*

Woerden, Jaap Bijzerwetering, 1977.

Intacta invidia media sunt*

(Ik heb het verkloot, Krotekoker)

© Bert van Elk

*Het middelmatige blijft verschoond van nijd (Livius)

I.

De zomer wilde van geen wijken weten dat jaar. Tot ver in oktober zaten de terrasjes vol en bleef de temperatuur overdag rond de twintig graden schommelen. Als de zon aan het eind van de dag achter de huizen zakte, werd het echter snel koud en klam. Daaruit bleek dat het jaar vorderde, net als uit de kale bomen en de herfstbladeren die na de eerste stormen ineens op de grond lagen. ‘s Morgens zag je grote dauwdruppels op de auto’s en de hardhouten tuinbanken liggen.

Het asfalt op de parkeerplaats glom die avond van het vocht, hoewel het niet regende. Het geronk van de automotoren op de A12 werd licht getemperd door de bomen die rond het wegrestaurant stonden. Ondanks de benzinedampen rook Krotekoker voor zijn gevoel de geur van de gevallen bladeren van de populieren sterker dan normaal. Hij keek even op z’n horloge, terwijl hij op het knopje van de afstandsbediening van de auto drukte. Met een stevige klak werden de portieren vergrendeld. Eigenlijk was Krotekoker vijf minuten te vroeg voor de afspraak, maar hij had een hekel aan te laat komen.

Eerlijk gezegd was hij zenuwachtig voor het weerzien met Gerrit, want wat zeg je als je elkaar God-weet-hoelang al niet meer hebt gezien. Zes, zeven of misschien wel acht jaar geleden ging het contact verloren, omdat… Geen idee, Krotekoker haalde z’n schouders op. ‘n Kwestie van een vergeten e-mailadres en het nieuwe adres kwijtraken na een verhuizing. Hij betrapte zich erop dat hij het eigenlijk een slap excuus vond, maar zo was ‘t wel gegaan. Krotekoker had veel gewerkt, z’n studie afgerond en promotie gemaakt. Hij had het zogezegd druk gekregen, omdat hij werd opgezadeld met een flinke dosis verantwoordelijkheid die eigenlijk niet bij hem paste, maar hem min of meer werd opgedrongen door z’n baas. Hij had nu immers een titel voor z’n naam en was zo boven komen drijven.

Krotekoker liep het lege terras op en duwde de deur van het AC-restaurant open. Direct daarna ging hij linksaf en keek pal in het gezicht van Gerrit, die vriendelijk van achter een biertje naar hem grijnsde. Gerrit stond op, stak zijn hand uit naar Krotekoker en zei simpel: “Hoi. Tijd niet gezien. Koffie?”

Veel meer dan “Lijkt me lekker”, wist Krotekoker even niet uit te brengen. De grijsblauwe rook van Gerrits brandende sigaret kringelde omhoog.

“Nog altijd zwart?

Krotekoker knikte. “Jij nog altijd met suiker?”

Gerrit grinnikte. “Sommige dingen veranderen nooit.”

“Hee, vertel. Hoe is het met Bella en je dochter?”

“Goed, ik ben net gescheiden. Jeanine woont bij Bella en haar nieuwe vriend, een paar straten verderop. Ik zie ze regelmatig.”

Voor z’n gevoel vertoonde Krotekoker geen emotie, maar aan het gezicht van Gerrit te zien was dat wel zo. “Je meent het… echt?

Gerrit knikte en trok een vies gezicht. Hij zette zijn koffiekopje terug op het schoteltje. “Dat smaakt echt niet zeg, een slok koffie na een biertje.”

“Hoe kan dat dan? Heb je een ander?”, bracht Krotekoker verbaasd uit.

“Ik niet. Zij! Ze kende hem van de sportvereniging. Ze hadden steeds vaker een wedstrijd en moesten steeds vaker trainen, omdat ze steeds hoger competitie gingen spelen. Snap je? Ik zag het op een gegeven moment gewoon gebeuren, maar ‘k had er geen grip op. Ze glipte als zand tussen m´n vingers door en ik kon er geen zak aan doen. Helemaal niets… Niets weegt tegen die ellende van een scheiding op. Het is voor mij de realiteit geworden.”

De deur van het restaurant zwiepte open en met een stoot koude lucht kwam een jongeman in een coltrui en een spijkerbroek binnen, de mouwen opgestroopt tot halverwege de onderarmen. Zijn haar glansde van de gel en om zijn hals hingen twee gouden kettingen.

“En nu?”, wilde Krotekoker weten.

“Nu? Ik scharrel een beetje. Ik heb een paar goede vriendinnen waar ik veel mee optrek, maar we eindigen ‘s avonds altijd ieder in zijn of haar eigen bed. En seks zegt me niet meer zoveel. Als het maar gezellig is.”

Gerrit snoot zijn neus. “Vreemdgaan is klote Krotekoker. Ben jij wel eens vreemdgegaan?”

Krotekoker schudde zijn hoofd.

“Houden zo. ‘t Is niks. ‘s Nachts na een optreden… laat je je afzuigen door een andere vrouw die op je geilt, omdat je op een podium een gitaar vasthoudt. Je gaat naar huis en dan stap je even later in bed naast je eigen vriendin en je voelt je zo schuldig. Zo ongelofelijk schuldig. Ook de volgende dagen.”

Krotekoker keek naar Gerrit. “Nee, ik ben nooit vreemd gegaan, maar ik kan me wel voorstellen hoe het voelt. Ik kijk veel en graag naar andere vrouwen en dan denk ik altijd wel ‘wat een lekker ding is dat’, maar als ik dan even verder denk en me voor de geest haal hoe het moet zijn om naast een ander wakker te worden dan naast mijn eigen lief, schrik ik er voor terug. Waarom zou ik ook? Ik ben tevreden met deze ene. Ik hou van haar. Het is mijn maatje, Gerrit. Klinkt het erg verheven?”

Gerrit zweeg, tuitte zijn lippen alsof hij nadacht over wat hij wilde zeggen, maar pakte zijn biertje en dronk er behoedzaam van. “Ik kan dat niet Krotekoker. Ik heb geen rust in mijn kop en ook niet in mijn kont.”

“In je kont? In je leuter zul je bedoelen. Het klinkt misschien wel heel plat, maar wat maakt je onrustig? Is het geilheid of is het wat anders?”

“Ik weet het niet Krotekoker. Er is geen kalmte. Althans nu nog niet. Het gist en bruist nog. Misschien komt die stilte wel, maar later als ik ouder ben. Misschien komt hij wel nooit bij mij. Er zit nog zoveel in mijn kop dat eruit moet, terwijl er nog zoveel dingen zijn die me benauwen: dat ik nog zoveel jaar bij deze baas moet werken; dat er nog zoveel mooie muziek is die ik wil spelen. Nee, ik weet niet wat me bezielt op zo’n moment. ‘t Slaat helemaal nergens op Krotekoker. Je boft maar met die vredigheid in je donder. Jij hebt makkelijk praten. Jij voelt geen ongedurigheid. Jij gaat elke dag met dezelfde boemel naar je werk, komt op dezelfde tijd aan en schuift altijd op dezelfde tijd achter je bureau. Koffiepauze en je middagboterhammetje komen altijd in dezelfde volgorde en als je aan het eind van je werkdag thuis komt, is je potje gekookt. Je lieve-vriendin-voor-het-leven staat voor je klaar. Dat is rust Krotekoker. Dat is een basis voor het leven waarop je kunt bouwen. En dat, goede vriend, mis ik nog altijd. Er moet nog meer zijn dat ik ooit moet doen. Er zijn nog zoveel hoogtepunten te beleven, vrouwen te versieren en triomfen te vieren op een podium.” Gerrit haalde diep adem. “Maar soms vraag ik me af of dat inderdaad wel is wat ik wil. Soms denk ik dat ik er een zooitje van heb gemaakt Krotekoker als ik mijn leven overzie.”

“Mijn leven is misschien wel saai Gerrit, maar die rust vind ik wel heel wat waard. Ik koos er zelf voor. Ik hoef niet meer zo nodig terug naar vroeger. Die problemen met mijn vriendinnetjes van toen, hun ongrijpbaarheid als ik verliefd was, het vreemdgaan en de pijn hier van binnen is niets om naar terug te verlangen. Ik heb geen goede herinneringen overgehouden aan de dagen dat ik ellendig en ziek van verdriet op de bank hing, nergens heen kon en me bij elk stom liefdesliedje op de radio aangesproken voelde. Toen ik mijn laatste relatie verbrak, na zoveel jaar achter haar aan te hebben gelopen, ben ik er echt ziek van geweest. Toen ik een week of wat erna ineens op de radio Elton John hoorde zingen: ‘I’m still standing’, zag ik – zeg maar – het licht en krabbelde ik weer op. Ik wilde me er niet onder laten krijgen. Een leerzame ervaring Gerrit, en daarom nooit meer. Waarom zou ik mijzelf weer in de problemen brengen met avontuurtjes? Waarvoor? Voor zoals Wim de Bie ooit zei: ‘wat gedoe en een beetje jeuk aan je snikkel’? Moet ik daarvoor mijn maatje laten schieten?”

 

II.

Alles voelde heel vertrouwd, hoewel er jaren tussen nu en de laatste ontmoeting met Gerrit lagen. De tijd was echter geen factor van belang, zo stelde Krotekoker tevreden voor zichzelf vast. Hier in een voor hem redelijk vreemde omgeving, praatte hij weer met Gerrit over alles dat hem bezighad gehouden en nog bezighield. Krotekoker was een moment in volstrekte harmonie met zichzelf en de wereld en bedacht bij zichzelf dat het leven goed was.

“Er zijn momenten dat ik moe ben Krotekoker. Moe van van alles. Mijn werk, de mensen, mijn huis. Op zo’n moment denk ik dat ik ingehaald ben door het leven en dat de maatschappij mij eindelijk te pakken heeft gekregen. Moe…”

Gerrit snoof minachtend.

“Vroeger wist ik niet eens wat het was. Nachten kon ik doorhalen en zuipen als een beest. Met vijftien bier op stond ik nog rechtop op het podium en speelde de sterren van de hemel. Om vier uur m’n bed in en er om half zeven er weer uit was geen probleem. En nu? Nu kan ik er niet meer tegen en ben ik al na een avondje repeteren een wrak. Mijn botten doen zeer en mijn oren suizen nog twee dagen na. ‘k Heb er nooit aan gewild dat ook ik kon verslijten, maar dat het gebeurt, bewijst mijn eigen trouwe lichaam. Waarom zou Onze-Lieve-Heer ons zo hebben gemaakt? Op het moment dat we iets van het leven gaan begrijpen en maken, laat hij het verval van krachten beginnen en waarom?”

Krotekoker haalde zijn schouders op, want hij wist het antwoord ook niet. Door al zijn werken was het hem nooit opgevallen dat hij tegenwoordig sneller moe werd dan voorheen. Hij probeerde door ritme in zijn leven overeind te blijven. Alles op de juiste plaats en op het juiste tijdstip. Diezelfde gelijkmatigheid had hem het aura van betrouwbaarheid bezorgd en gebracht waar hij nu was. Hij zag er de positieve kanten wel van in.

“En dan mijn ogen Krotekoker”, ging Gerrit jammerend door. “Eerst moest ik een bril, toen een bril met leesgedeelte en nu beginnen mijn ogen al te prikken als het licht te sterk wordt gedimd. Vroeger keek ik bij wijze van spreken door de kleding van een mooie meid heen, maar nu ben ik al blij als ik ontdek dat er tegenover mij in de trein een dame zit.” Hij gniffelde. “En de meiden van tegenwoordig zijn echt niet lelijker dan die van vroeger. De hoek van penetratie is nog altijd gelijk aan de hoek van het ketsen, zoals we vroeger zeiden als een variant op de Wet van Snellius. En waarom ga ik ineens uit mijn bek stinken nu ik ouder word. Ik poets me te pletter, floss elke dag en spoel met mondwater, maar het overkomt me gewoon.”

Hij gromde ontevreden.

“Ik heb het verkloot, Krotekoker. ‘k Ben er nu uit na een halve eeuw en in die tijd heb ik weinig bereikt. Veel te weinig. Ik ben twee keer gescheiden en werk ergens bij een kleine firma waar ik de hele dag aan de telefoon zit om de ellende van een ander op te lossen. Niks geen avontuurlijk leven voor mij. Ik hoef ook niet meer zo nodig. Geen glanzende carrière, geen groot huis, geen snelle auto, geen bloedmooi wijf.”

Gerrit zweeg en nam een slok van z’n bier. Achter hem begon een jong kelnertje de restanten van het buffet af te ruimen. Een ongeschoren vrachtautochauffeur schrapte net nog de laatste restanten ragout uit de warmhoudschaal.

Krotekoker krabde zijn kin en dacht een moment dat hij de controle over een deel van zijn leven kwijt was. In de zes of zeven jaar dat hij Gerrit niet had gesproken, was er veel gebeurd. Niet met hem, want hij was een brave huisvader geworden met opgroeiende kinderen en een schat van een vrouw. Wel met Gerrit, maar die was er geen groots en blij man van geworden. Sterker, ‘t had hem alleen maar tot een cynicus gemaakt. Of zoals Gerrit het tegen Krotekoker zei ‘in een realist veranderd, die tevreden was met z’n simpele leventje’.

“‘En nu?’, vraag je Krotekoker? Nu leef ik m’n leven en wacht elke dag tot het vijf uur is en ik naar huis mag. Een dag duurt dan lang, weet je. In de pauze tussen de middag lees ik de krant. In het weekend ga ik de ene week naar m’n vriendin en in de andere zorg ik voor m’n kind. Mijn nieuwe vriendin is een schat. Uiterlijk is het niets bijzonders, maar ze heeft een gouwe karakter. Het is een dijk van een wijf waarop ik kan bouwen. Da’s veel belangrijker dan een mooie kop. Daar ben ik na al die jaren wel achter gekomen.”

 

III.

Krotekoker zweeg. Hij had even niets te melden. Wat viel er ook te zeggen nu hij het verhaal van Gerrit van de afgelopen jaren had gehoord? In vergelijking daarmee viel er weinig te vertellen. Hij was gebleven wie hij was, had al die jaren gewoon gewerkt en niets bijzonders gedaan, althans in zijn eigen visie. De kinderen waren keurig opgegroeid en na z’n werk had hij elke week al zijn kinderen naar de sportverenigingen gebracht, de tuin aangeharkt, maar nooit op zaterdag de auto gewassen. Dat had hij altijd geweigerd.

“Vind je mijn leven niet saai?”, wilde hij van Gerrit weten.

Die schudde slechts het hoofd. “Ik vind het alleen maar mooi. Het klinkt allemaal heel opwindend zoals ik nu leef, maar dat is het niet.”

“Denk je weleens aan vroeger?”, wilde Krotekoker weten. “Toen jullie nog samen waren?”

“Jawel, maar dat wordt steeds minder. Weet je waar ik juist steeds vaker aan terugdenk? Aan vroeger, aan heel lang geleden, toen ik nog op school zat. Hoewel… Gelukkiger word ik er niet van. Pas heb ik nog een uitnodiging gehad voor een reünie van school van bijna dertig jaar geleden. Ik heb lang nagedacht of ik er wel heen moest gaan. Toen ik er eenmaal uit was, heb ik er zelfs een heel weekeinde aan opgeofferd om langs allemaal gebouwen van vroeger te rijden en de kroegen van toen te bezoeken. Zeg maar een sentimental journey.”

Gerrit zweeg en staarde naar het donkere raam. Op de A12 raasde het verkeer onrustig door zonder geluid. De ruit trilde zichtbaar toen een zwaarbeladen vrachtauto voorbij denderde. Met een eenzame binnenkomende gast kwam een stoot koude lucht mee.

“Ik ga niet meer naar reünies, Krotekoker. Niet meer. De teleurstelling is te groot. Je denkt dat het niet zo is, maar mensen worden nu eenmaal ouder. Er zit een kloof van twintig, 25 jaar tussen jou en die anderen. De kans dat je dat ene meisje tegenkomt en dat ze er nog net zo uitziet als vroeger is minimaal. Man of vrouw, het maakt niet uit; we zijn allemaal veel dikker geworden en aan de voorkant uitgezakt. Of er nu een kind in heeft gezeten of niet. Die keren dat ik iemand van vroeger heb gesproken, zijn allemaal op een teleurstelling uitgelopen. Je kunt de vrouw niet meer kussen van 25 jaar geleden, behalve in gedachten dan. Je weet dat ze een ander is geworden. ‘t Meisje waarmee ik twintig jaar geleden vrijde, herkende ik de eerste keer dat ik haar weer zag niet eens meer. Ik liep zo straal langs haar heen. Die ontmoeting heb ik uit mijn gedachten gebannen. Nee, leven bij de illusie van het verleden is prima, heb ik geleerd. ’t Is meer dan voldoende.”

“Het is gegaan, zoals het is gegaan Gerrit”, reageerde Krotekoker. “Had je het graag anders gezien dan? Je bent er toch zelf bij geweest en hebt er aan meegedaan?”

“Ja, ik was er inderdaad bij, Krotekoker en had er misschien wel wat aan kunnen doen. Maar heb je enig idee Krotekoker wat ik dan in mijn leven anders had moeten doen? Of ik überhaupt iets anders had moeten doen? Nee, ik heb nergens spijt van. Gedane zaken nemen geen keer. Daar verandert niemand wat aan, maar soms heb ik het idee dat het anders had gemoeten. Ik kan het niet benoemen en daarom stormt het nog in m’n kop. Daarom heb ik er geen grip op.” De glazige blik die Gerrit de laatste minuten van zijn monoloog in zijn ogen had gehad, verdween.

Ineens keek hij scherp en recht in Krotekokers ogen. Zijn wijsvinger priemde naar Krotekoker. “Ik denk dat we dit meer moeten doen en draad van vroeger weer moeten oppikken. Gewoon lekker slap lullen over alle dingen die ons te binnen schieten. Kom, wanneer spreken we weer af? Over een maandje of zo en dan praten we verder. Gaan we uit eten en geen gezeur: ik mag dan niet veel verdienen, maar ik betaal. Nou, ouwe reus, rij en vrij voorzichtig. Ik zie je” Gerrit schudde Krotekokers hand. “Hee kookertje. Doe het rustig aan, laat je niet gek maken en maak anderen niet gek. Zoals Livius zei: ‘Het middelmatige blijft verschoond van nijd’. We bellen!”

22/02/06