1983 – Still Standing

De gesproken column

1983 liep op z’n eind. ‘s Morgens werd het ochtendlicht steeds grauwer. Het mooie lichtblauw, zo kenmerkend voor ochtendlicht in de maanden april en mei was weg. Verdwenen. Het jaar raakte langzaam maar zeker versleten. De grijze luchten overheersten en af en toe rook je de lucht van natte, rottende bladeren. De scherpe contouren van de nieuwbouw in wijk waarin ik woonde, vervaagden met de dag meer en de donkere ramen leken ‘s morgens vroeg op rotte plekken in de huid van de huizen. De zon kwam elke dag iets later op en de warmte van de stralen verminderde evenredig. Het jaar kwam op leeftijd.

De vriendin waarop ik op dat moment verliefd was, had na drie jaar een punt achter onze relatie gezet en ik had mijzelf een paar maanden de tijd gegund om afstand te nemen tot haar. Ik werkte daarom veel en lang: vijf dagen en vier avonden per week. Ik wilde niet thuis zijn en niet te hoeven nadenken. Het maakte het alles net een tikje draaglijker, maar het verdriet niet minder. Het was dan ook niet verwonderlijk dat ik op de redactie waar ik toen werkte ja zei tegen de opdracht op zaterdag 29 oktober in Den Haag de demonstratie van het Komitee Kruisraketten Nee tegen de voorgenomen plaatsing van kruisraketten in Den Haag te verslaan.

Al ruim van te voren was er aangekondigd dat het druk zou worden en daarom ging ik per sneltrein naar Den Haag. De coupe waarin ik op de laatste vrije zitplaats ging zitten, rook muf en vanuit mijn hoekje keek ik naar de dorpen aan de einder. De horizon was een bibberig lijntje, kennelijk door God getrokken na een avondje stappen, grapte ik in mijzelf.

De trein werd voller en voller en bij elk station propten zich meer mensen in de gangpaden en coupés, totdat er echt geen mens meer bij kon. Tussen station Zoetermeer en Voorburg zag ik dat op de A12 de bussen van de demonstranten al stonden geparkeerd. Zo vol liep Den Haag. Ik stond er middenin, maar voelde mij geen deelnemer. Niet alleen omdat ik beroepsmatig afstand tot het onderwerp wilde bewaren. In mijn hoofd spookte het nog teveel en was zij nog te nadrukkelijk aanwezig. In die mensenmassa deden talloze jassen, geuren, bewegingen en blikken van bepaalde vrouwen mij nog sterk aan haar denken.

Den Haag was die dag zo vol met mensen, dat ik bijna letterlijk geen kant op kon. Een half miljoen demonstranten krioelden door elkaar en jouwden op het Malieveld minister-president Lubbers uit. En ik, ik stond er tussen.

Doodmoe, hongerig en met een blocnote en hoofd vol indrukken zocht ik aan het eind van de middag mijn heil bij een frietkraam, dat de kroketten aanprees kruiskroketten. Op twee meter van de kraam stond ik als aan de grond genageld, want daar stond mijn ex-vriendin, met in haar hand een kruiskroket. Haar ontlopen was er niet bij, want ze keek mij recht in mijn gezicht aan. Haar blik ging dwars door mij heen en alle weerstand die ik in afgelopen maanden zogenaamd tegen haar had opgebouwd, voelde ik zo uit mij weg lopen. Ik voelde een zweetdruppel vanuit mijn oksel over mijn huid naar beneden parelen.

Tussen twee happen kruisraket door stelde ze maar een vraag. ‘Hoe is het, dikke?’ Ze maakte aanstalten om door te schuifelen in de mensenmassa, zonder het antwoord af te wachten. Met de allerlaatste kracht die ik nog in mij had, zei ik zachtjes: ‘I’m still standing’. Ze trok een wenkbrauw op en reageerde gevat zoals in het nummer van Elton John: ‘yeah, yeah, yeah’ en liep door.

Ik ben op de dissel van de frietkraam gaan zitten om bij te komen en kon maar aan een tekst denken. ‘Don’t you know – I’m still standing better than I ever did – looking like a true survivor – feeling like a little kid – I’m still standing after all this time – Picking up the pieces of my life ¬†without you on my mind’